Zinsontleden schema
Wat heb ik tot nu toe gedaan met gramatica zinsontleden?
| Hoe heten ze? | Hoe vind je ze? | Hoe toon je ze aan? |
|---|---|---|
| Persoonsvorm | 1. de tijd van de zin veranderen, de Pv veranderddan mee. 2. Als je een vraagzin maakt komt hij vooraan te staan. | (PV) |
| Zinsdelen | je kan hem los voor de Pv zetten | /zinsdeel/ |
| Onderwerp | Wie of wat + PV | (OW) |
| Gezegde | alle werkwoorden in de zin | {Gezegde} |
| Lijdend voorwerp | Wie of wat + OW + gezegde | ̲ʟ̲ɪ̲ᴊ̲ᴅ̲ᴇ̲ɴ̲ᴅ̲ ̲ᴠ̲ᴏ̲ᴏ̲ʀ̲ᴡ̲ᴇ̲ʀ̲ᴘ |
| Meewerkend voorwerp | aan wie/ voor wie + gezegde + Ow + Lijdend voorwerp | meewerkendvoorwerp |
Bij meewerkend voorwerpen horen er 2 lijnen onder te staan.
Bijvoegelijke bepaling (bijv.bep.)
- bijvoegelijke bepaling zegt iets meer over een kernwoord
- het is altijd een zinsdeelstuk, dat wilt zeggen een onderdeel van een ander zinsdeel
- het zegt iets over een kernwoord of een zelfstandig naamwoord.
- de bijvoegelijke bepaling kan er voor of achter staan.
Regels Zinsontleden
(Persoonsvorm):
Als je een zin moet ontleden, zoek je altijd eerst de persoonsvorm. De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
Een werkwoord noemen we de persoonsvorm als dat in een zin aangeeft:
- de tijd (tegenwoordige of verleden tijd): ik slaap => ik sliep
b. enkelvoud of meervoud: jij slaapt => jullie slapen
Bij de gebiedendewijs staat de persoonsvorm altijd voor aan
Bijv:
Eet door
Ga naar huis
Maak je huiswerk
Houd je mond
Als je de persoonsvorm zoekt, kun je het beste de zin in een andere tijd zetten. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
Voorbeeld: Ik moet de opgaven nog maken.
- Moet is de Persoonsvorm
(Onderwerp):
- De eenvoudigste manier om het onderwerp te vinden is door na het vinden van de persoonsvorm de vraag: ‘Wie of wat doet iets of is iets?’ te stellen.
Voorbeeld:
Vind je dit moeilijk?
pv = vind
Wie vindt? = je, je is dus onderwerp.
Altijd iets of iemand.
Zet de pv in het meervoud het woord dat mee veranderd is het onderwerp.
Let op : Onderwerp begint nooit met een voorzetsel.
Let op : Gebiedendewijs heeft nooit een onderwerp.
Let op: Ww woorden die als zelfstandignaamwoord gebruikt zijn kunnen ook een onderwerp zijn.
Wie of iemand kan je veranderen in een naam dus dat kan je ook als onderwerp
Je kan ook kijken naar welk zinsdeel er mee moet veranderen als je persoonsvorm van het enkelvoud in het meervoud zet, of van het meervoud in het enkelvoud. Het zinsdeel dat ook moet veranderen is het onderwerp (de veranderingsproef).
/zinsdelen/:
Je kunt een zin in delen verdelen: de zinsdelen.
Hoe weet je wat een zinsdeel is?:
- Het deel wat voor de pv staat is altijd 1 zinsdeel
- Alles wat je voor de pv kan zetten en je houdt dan een goed lopende zin is ook een zinsdeel.
Als je de volgorde van de zin verandert, blijven de worden van een zinsdeel bij elkaar.
Tussen de zinsdelen zet je streepjes.
Ik / (heb) / dat cadeau / aan Greetje / gegeven.
{Werkwoordelijk gezegde}:
Het werkwoordelijk gezegde (wwg) bestaat uit alle werkwoorden in een zin. Een persoonsvorm hoort dus ook altijd bij het werkwoordelijk gezegde.
Let op: het woordje te voor een heel werkwoord hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde!
Voorbeeld: Ik heb nog heel veel te doen.
- Werkwoordelijk gezegde= heb, te doen
- Werkwoordelijk gezegde zijn alle ww in de zin
- Aan het + ww [aan het vissen}
- Wederkerende ww: zich vergissen, zich verslikken, zich verstoppen
- Werkwoordelijke uitdrukking
Figuurlijk taal gebruik
- Scheidbare ww
Hij (leest) een boek {(voor)}
[Naamwoordelijk gezegde]:
Bij een naamwoordelijk gezegde is er altijd een koppelwerkwoord in combinatie met een naamwoordelijk deel, dat wordt dan samen met de rest van de werkwoorden het naamwoordelijk gezegde genoemd.
1f 1) Zoek de ov
S 2) Zoek de andere ww
3) Zoek het onderwerp
0)
- Koppelwerkwoord+ (hulpwerkwoorden) + naamwoordelijk deel
- Zoek de PV
- Zoek de andere ww
- Zoek het onderwerp
Koppelwerkwoorden:
Er zijn negen koppelwerkwoorden:
- schijnen
- zijn
- worden
- heten
- blijven
- blijken
- dunken
- voorkomen
- lijken
Bij een naamwoordelijk gezegde koppelt het koppelwerkwoord het onderwerp aan het naamwoordelijk deel. Het naamwoordelijk deel is dus een kenmerk of eigenschap van het onderwerp, meestal is het naamwoordelijk deel een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord. In het voorbeeld hieronder is Petty dus een juf.
Voorbeeld: Petty is juf.
- Petty = onderwerp
- Is + juf = Naamwoordelijk gezegde (juf: naamwoordelijk deel)
Let op: een zin met een naamwoordelijk gezegde bevat nooit een lijdend voorwerp!
Voorbeeld zinnen:
- (Het carnavalsfeest) (wordt) [een groot succes.]
- (Breien) (is) voor mijn oma [heel makkelijk.]
- Na de schietpartij (is) (de supermarkt) beter {beveiligd.}
Lijdend voorwerp:
Een lijdend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er staat altijd maar maximaal één lijdend voorwerp (lv) in een zin.
Het lijdend voorwerp (lv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:
lv: wie/wat + wwg + ow?
Let op: een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.
Voorbeeld: Zij heeft een munt gevonden.
pv: heeft
zinsdelen maken
wwg: heeft gevonden
ow: wie/wat heeft gevonden?: zij
lv: wie/wat heeft zij gevonden?: een munt
- (Zij)/(heeft)/een munt/{gevonden}.
Meewerkend voorwerp:
Een meewerkend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er staat altijd maar maximaal één Meewerkend voorwerp in een zin.
Het meewerkend voorwerp (mv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:
mv: aan/voor wie + wwg + ow + (lv)?
Let op: Het voorzetsel 'aan' of 'voor' kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp.
Vorige week wilden Milou, Madelief en Pleun een cadeaubon gaan kopen voor de jarige docent.
1. pv: wilden
2. zinsdelen maken
3. wwg: wilden gaan kopen
4. ow: wie/wat wilden gaan?: Milou, Madelief en Pleun
5. lv: wie/wat wilden Milou, Madelier en Pleun gaan kopen?: een cadeaubon
6. mv: voor wie wilden Milou, Madelief en Pleun een cadeaubon gaan kopen?: voor de jarige docent.
Bijwoordelijke bepaling:
V V
Een bijwoordelijke bepaling (bwb) kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen (bwb) in een zin staan.
Bijwoordelijke bepalingen (bwb) zijn makkelijk te vinden, ze noemen de bijwoordelijke bepaling ook wel de ‘prullenbak’. Alles wat je overhoudt na het benoemen, noem je bwb. Bijwoordelijke bepalingen zijn vaak plaatsen of tijden, maar het kan van alles zijn. Let op dat je wel eerst alle andere stappen doorloopt, als laatste mag je pas de bijwoordelijke bepalingen gaan benoemen!
Bijwoordelijke bepalingen geven antwoord op de volgende vragen: waar, wanneer, waarom, waarmee, waardoor, hoe en hoeveel.
Voorbeeld: Hij heeft aan Sanne voor haar verjaardag een cadeau gegeven.
- pv: heeft
- zinsdelen maken
- wwg: heeft gegeven
- ow: wie/wat heeft gegeven?:hij
- lv: wie/wat heeft hij gegeven?: een cadeau
- mw: aan (voor) wie heeft hij een cadeau gegeven?: aan Sanne
- bwb: voor haar verjaardag
Maak jouw eigen website met JouwWeb